![]() |
Kabouters | ![]() |
| Onder hele hoge bomen Onder hele hoge bomen, In het groot kabouterbos, Staat een heel lief aardig huisje, Zomaar midden op het mos. Ik zou er graag in willen wonen, Maar ik ben toch veel te groot, ’t is gemaakt voor de kabouters, met hun muts en jasjes rood. Als het ’s avonds donker wordt, Is het helemaal niet naar. Want dan zitten de kabouters, Zo gezellig bij elkaar. Ieder zit dan op een krukje, Met een kaarsje in zijn hand En dan zie je zoveel lichtjes in kaboutersprookjesland! |
![]() |
| Op een grote paddestoel, rood met witte stippen Op een grote paddestoel, rood met witte stippen Zat kabouter Spillebeen Heen en weer te wippen. Krak zei de paddestoel met een diepe zucht…. Allebei de beentjes hoepla in de lucht! Maar kabouter Spillebeen Ging maar door met wippen. Op een andere paddestoel Rood met witte stippen. Daar kwam vader langbeen aan, En die riep toen luid: Moet dat stoeltje ook kapot? Spillebeen schei uit!! |
![]() |
| Oh kom maar eens kijken Oh kom maar eens kijken, De grote reus loopt door het woud. Daar wonen kabouters die zijn wel eens stout. En als hij slaapt, Die grote reus, Dan trekt er eentje aan zijn neus, Eén aan zijn arm, Eén aan zijn been, Kaboutertjes loop toch heen! Oh kom maar eens kijken! De grote reus is opgestaan, Hij zal de kabouters wel eens pakken gaan! (Op de melodie van het sinterklaasliedje “Oh, kom maar eens kijken”) |
![]() |
| Kabouterdansje Er waren 3 kaboutertjes, zo, zo klein. Die maakten samen een rondedans, piek, piekfijn! Kabouter Pim kom jij eens hier en doe eens wat voor ons plezier, Dan doen we het allemaal na, dan doen we het allemaal na, dan doen we het allemaal na! (op de melodie van “ik stond laatst voor een poppenkraam”) |
![]() |
| Liedje Kaboutertjes drinken kabouterthee, van diedeldiedee kabouterthee van diedeldiediedeldiedoekjes met kleine kabouterkoekjes. |
![]() |
| Liedje Er zat een klein kaboutertje te huilen op een steen. Huilen, huilen, de hele dag alleen. Sta op kaboutertje, en droog je traantjes af. Kies een kindje uit de kring met wie je dansen mag. |
![]() |
| Aftelversje 5 kleine kaboutertjes die dansten in het bos. 1 gaat er weg, op visite bij de vos. 4 kleine kaboutertjes die dansten in het bos. 1 gaat er weg om te slapen op het mos. 3 kleine kaboutertjes die dansten in het bos. 1 gaat er weg, want zijn vetertje zit los. 2 kleine kaboutertjes die dansten in het bos. 1 gaat er weg, want die werd moe van dat gehos. 1 klein kaboutertje danst nu helemaal alleen. Hij kruipt vlug in zijn paddestoel.... En nu zie je er geeneen. |
![]() |
| Kabouterversje Er waren eens heel veel kaboutertjes Dat waren toch zulke stouterdjes Ze plukten bloempjes klein Weet jij wat dat voor bloempjes zijn? Kom, dan fluister ik het in je oor…. Het zijn vergeet-mij-nietjes hoor! |
![]() |
| Versje Er waren eens 7 kaboutertjes, Dat waren zulke stouterdjes. De eerste stampte op de grond. En blafte als een kwade hond. De tweede trok, ja heus, ja heus, Een hele héle lange neus. En nummer drie stond maar niet stil. Hij viel en gaf een harde gil. De vierde deed zijn benen wijd, En hield zijn armen uitgespreid. De vijfde ging er maar bij zitten, Hij had beslist last van de hitte. En wat deed, denk je, nummer zes? Hij nam een slokje uit de fles. Dan had je ook nog nummer zeven. Die zong heel hard: Lang zal ik leven! En toen begonnen ze te gapen. Welterusten! Ga maar lekker slapen! |
![]() |
| Woutertje , Woutertje Ik kwam hem eens tegen op de mat in de gang, Ik zei, "goedemorgen, ben jij hier al lang?" Hij zei: "nou, ik denk een minuutje of vijf, Ik vind je wel aardig, ik denk dat ik blijf!" Ooooo, die Woutertje, Woutertje wiede wiede wiede woep, piepklein kaboutertje komt als ik roep. Woutertje, Woutertje, piepklein kaboutertje, wiede wiede wiede woep,komt als ik roep. Ik heb hem al jaren en nooit heeft hij last, Hij woont in een trommeltje onder de kast, en 's morgens om zeven uur wil hij eruit, dan wil hij zijn eten, dan wil hij ontbijt. Ooooo, die Woutertje, Woutertje wiede wiede wiede woep, piepklein kaboutertje komt als ik roep. Woutertje, Woutertje, piepklein kaboutertje, wiede wiede wiede woep,komt als ik roep. |
![]() |
| Hompeltje en Pompeltje Hompeltje en Pompeltje, die klommen op een berg. Hompeltje was een kaboutertje en Pompeltje dwerg. Ze klommen samen naar het topje, en schudden ............ Daag, met hun kopje. Toen zijn ze in de berg gekropen. En niemand heeft ze nog zien lopen. Ze sliepen samen op één oor. Sssst, ik geloof dat ik ze hoor. |
![]() |