Rupsen en vlinders |
| 1 2 3 4 5 6 7 Waar is rupsje Nooitgenoeg gebleven? Voor de boom, Achter de steen. Nee, hij kroop door de appel heen. Hap, hap, slik, slik, smullen maar. Appel, peren, pruim en taart. Plakje kaas en een stuk meloen En tot slot een blaadje groen. |
| Rupsje, rupsje in de zon, weet je wat ik vroeger kon? Spinnen, spinnen een cocon! Nu ben ik een vlinder vrij, vlieg ik hoog, vrolijk en blij, maar was eerst net zo'n rupsje als jij. |
| Een vlinder had een ei gelegd 't lag op een eikenblad. Er kroop een piepklein rupsje uit dat at en at en at het at het hele blaadje op en nam er nog een paar het spon zich daarna in als pop toen was het rupsje klaar. En toen er na een hele tijd, een nieuwe dag begon kroop er een kleine vlinder uit die straalde in de zon. Ze dartelde de wereld rond, ze danste op en neer en legde op een eikenblad een piepklein eitje neer. |
| Vertel eens vlinder, waar kom je vandaan? Vertel eens wat over je bestaan? Ik was een rupsje en zat op een blad En daar at ik maar wat. Toen ging ik spinnen, ik spon en ik spon. Ik maakte een cocon. Dat is een huisje zo zacht als satijn En daar sliep ik in heel fijn. Maar op een morgen toen verloor ik mijn huid En toen kroop ik eruit. En toen de zon scheen, toen merkte ik pas Dat ik een prachtige mooie vlinder was. Ineens kon ik vliegen, wat ik vroeger niet kon. En ik vloog naar de zon. |
| De vlinder legt een eitje, waaruit een rupsje stapt. Dan gaat het rupsje eten, totdat het bijna knapt. Het bouwt zelf zijn huisje en sluit zich daarin op. En zit het rustig binnen dan noem je het een pop. En op een mooie morgen, dan zit er in het gras Een schitterende vlinder die vroeger een rupsje was! |
| Vlindertje vliegt zo vrolijk, vrolijk fladderend in het rond. Vlindertje vliegt zo vrolijk, hoog in de lucht en laag bij de grond. |